Luister naar het verhaal van stadsvroedvrouw Hendriena Huijsselaar
Stemmen: Tim Kerkhofs en Mireille Vergouwen
Audioproductie: Tom Gudde
Lees hier mee met het verhaal:
Het garnizoen was lang niet altijd een graag geziene gast in Bergen op Zoom. Zeker in oorlogstijd betekende de aanwezigheid van (vijandelijke) troepen in en rond de stad ellende. Plunderingen, verkrachtingen en vernielingen waren de orde van de dag. Zo werd een groot deel van de binnenstad tijdens het Franse beleg van 1747 compleet in puin gelegd. Maar de garnizoenen brachten niet alleen maar verwoesting met zich mee: ze vormden ook een belangrijk netwerk van kennis. Deze rondtrekkende gezelschappen waren in het bijzonder op de hoogte van ontwikkelingen in de gezondheidszorg. Zo waren ze onder andere verantwoordelijk voor belangrijke innovaties binnen de kraamzorg. Want: waar het garnizoen neerstreek raakten veel vrouwen zwanger en waar veel zwangere vrouwen waren was de vraag naar vakkundige vroedvrouwen groot. In de tweede helft van de achttiende eeuw werden dan ook nieuwe protocollen en reglementen geïntroduceerd om de kwaliteit van de kraamzorg te verzekeren. Zo moesten de stadsvroedvrouwen vanaf 1763 een examen afleggen bij de stadsdokter onder het toeziend oog van de burgemeesters om hun bekwaamheid aan te tonen. Vervolgens werd in 1779 een instructie voor vroedvrouwen opgesteld waarin werd vastgelegd wat zij verplicht waren om te doen en welke handelingen zij juist niet mochten verrichten. Zo wist stadsvroedvrouw Hendriena Huijsselaar precies wat haar te doen stond toen zij op een dag in 1789 werd opgeroepen om te assisteren bij een bevalling.
Het was op een late avond – lang na het ondergaan van de zon – dat er plotseling op mijn deur werd geklopt. Een soldatenvrouw, zo werd mij gezegd, had weeën gekregen en verzocht dringend mijn hulp. Als zijnde een door de stad aangestelde vroedvrouw is het mij niet geoorloofd mijn plicht te verzuimen. Zonder nadrukkelijk toestemming van de magistraat mag ik de stad niet verlaten en zelfs bij het buitentreden van mijn huis moet ik bericht achterlaten waar ik ben, daar ik de barende vrouwen van deze stad ten alle tijden van dienst moet kunnen zijn. Zo haastte ik mij in dezen stillen nacht naar de militaire woningen nabij het Klein Arsenaal.
Aldaar trof ik de vrouw in smarten aan. Wie zij is, vanwaar zij komt, of hoe haar stand of naam luidt, weet ik niet, noch werd dat mij te verstaan gegeven. Doch dat is van geen wezenlijk belang. Mijn roeping gebiedt mij elke vrouw bij te staan die mij nodig heeft – hetzij jong of oud, arm of rijk, gehuwd of zelfs ongehuwd. Elke vrouw in onze stad heeft recht op de hulp van een vroedvrouw die met barmhartigheid, kunde en trouw haar ambacht verricht. Wanneer ik mijn hand op haar buik leg, zie ik geen naam, geen rang, geen afkomst – slechts een vrouw die mijn hulp behoeft.
De arbeid vorderde echter moeizaam. Alvorens ik in 1786 op examen ging bij stadsdokter Van Lis om mijn bekwaamheid als vroedvrouw te tonen, heb ik over de verscheidene oorzaken hiervan geleerd. Wellicht waren het valsche weeën, doch hielden die reeds te lang aan. Mogelijk was het lichaamsgestel van de vrouw verzwakt, in welk geval de stadsdokter haar een arbeidsversterkend middel toe kon dienen, bestaande uit water, citroensap, kaneel en graanstroop of een stoving van warm water, witte wijn en azijn voor haar kon bereiden. Indien ook dit geen soelaas bood, kon de dokter een ader op de arm of voet openen. Doch ik, als vroedvrouw, mocht geen middelen toedienen, noch instrumenten gebruiken. Mijn handen zijn mijn werktuig; mijn kennis en Gods hulp zijn mijn gidsen.
Daar ik de vrouw nauwlettender onderzocht, kwam bij mij de gedachte dat het kind wellicht bekneld zat. In zulk een geval kan een geoefende hand het kind terugstoten, ommekeren, het staartbeen der moeder naar beneden drukken en aldus de doorgang verruimen om de geboorte op natuurlijke wijze te voltrekken. Zo deed ik dan ook: zoals ik eens heb geleerd drukte ik met de rug van mijn hand het staartbeen van de moeder zachtjes omlaag, om den doorgang te verbreden, terwijl ik met de andere hand het kind voorzichtig leidde.
De arbeid versnelde toen en de natuur hervond haar kracht. Niet lang daarna weerklonk het schrille, doch geruststellende gehuil van een kind in het vertrek. Zowel moeder als kind maakten het daarna goed. Zo begroette bij dageraad een nieuw leven de stad.